1

Lizanne – Dysthyme stoornis, ADD en borderline

“Buitenstaanders merkten altijd al wel dat ik moeite had met concentratie op school, en soms een beetje heftig reageerde op bepaalde situaties. Er is toen niets aan gedaan, omdat het gewoon bij mij hoorde.

Ik was vrijwel altijd vrolijk en had heel veel vriendjes en vriendinnetjes. Ik was altijd aan het spelen, maar het gekke was dat ik bijna nooit thuis wilde spelen. Ik speelde liever bij een ander. Logeren was voor mij ook nooit een probleem. Ik was liever weg dan thuis. Ik voelde me thuis een beetje anders dan mijn broertjes, zusje en zus. Een beetje het buitenbeentje. Ik ben in een gereformeerd gezin opgegroeid. Moest vanaf mijn vierde mee naar de kerk. Ik vond dat allemaal maar niets. Rokje aan, hoedje op. Ik moest er niet veel van hebben.

Dieren waren voor mij het belangrijkst. Ik was een jaar of zes toen ik mijn eigen cavia heb verdiend. Ik had een bord met taken die ik moest doen, verdeeld over de dag. Als dat een bepaalde tijd goed ging dan kreeg ik mijn eigen cavia. Na ongeveer twee maanden was hij daar dan, mijn cavia Joepie. Wat was ik blij met hem. Ik leerde hem trucjes en ik sliep met hem. Joepie mocht mee in een kinderwagen door het dorp heen. Ik behandelde hem als een kindje.

Op een gegeven moment wilde mijn oudste zus ook een cavia. Toen hadden we er twee. Tommie was zijn naam. Hij was niet zo lief en durfde ook wel eens te bijten. Mijn cavia kreeg veel stress door Tommie waardoor die van mij dood is gegaan. Ik was er kapot van. Ik was toen een jaar of acht, gok ik. De dood van mijn cavia heb ik nooit kunnen verwerken.

Ik werd ouder en kreeg een verzorgpaard (Germanicus). Hij was een prachtige zwarte Fries. Ik ging één keer in de week naar hem toe. Niemand heeft ooit doorgehad hoe bijzonder mijn dieren voor mij waren. Ook hij is dood gegaan zonder dat ik afscheid van hem had kunnen nemen. Hij was het tweede dier dat ik ben verloren.

Depressie
Rond die tijd begon mijn depressie en kwam ik er ook achter dat ik gevoelens kreeg voor meiden. Ik was toen dertien jaar oud. Ik vond het vreselijk. Ik was van de duivel dacht ik. Ik ga naar de hel, dat was één ding dat ik zeker wist. Ik moest van die gevoelens af en ik moest mezelf ervoor straffen. Ik begon mezelf te beschadigen. Haren uit mijn hoofd trekken, mezelf expres branden aan een stijltang, krassen in mijn armen en benen met mesjes.

Ik kreeg nieuwe verzorgpaarden, vier Friezen en twee shetlanders. Opnieuw veroverde een van die paarden mijn hart. Het was een van van de twee shetlanders (Blacky) en mijn beste vriendin deed heel veel met de andere shetlander (Blondy). Na een half jaar werden ze weggedaan. Weer was ik een maatje kwijt. En heb ook van deze shetten geen afscheid kunnen nemen. Ondertussen bleef ik worstelen met mijn gevoelens voor meiden en verborg ik het voor iedereen. De zelfbeschadiging werd erger en erger. Ook mijn depressie werd erger.

Ik werd misbruikt op het internet omdat ik daar mijn vrienden ging zoeken. Later werd ik ook nog aangerand door mijn beste vriend, waardoor mijn afkeer naar mannen alleen maar groter werd.

Weer nieuwe verzorgpaarden. Dit keer op een handelstal. Ik raakte eraan gewend dat er paarden kwamen en ook weer weggingen. Meestal stonden ze er een tot twee weken. Ook liep daar een hond (Annabel) rond op het erf. De band die ik met haar had was bijzonder. Ze was ziek en kreeg steeds meer pijn, toch kwam ze altijd als een gek op mij afrennen. Ze was altijd zo blij om mij te zien. En toen kwam de dag van het afscheid. Ze lieten haar inslapen. Ik mocht er niet bij zijn, maar wel afscheid van haar nemen.

Eenzaamheid
Vrienden en vriendinnen lieten mij vallen, omdat ze me raar begonnen te vinden, me niet begrepen of niet met mij om konden gaan. De eenzaamheid werd steeds erger. Ik dacht dat het allemaal aan mij lag. Dat ik echt raar was of dat mensen mij gewoon niet wilden omdat ik zo stom was.

Het een hekel hebben aan mezelf begon zich om te zetten in pure haat. Als iemand mij een compliment gaf ging ik daar hard tegen in of ik negeerde het. Ik kon niks goeds meer bedenken over mezelf. Het was alleen maar haat en negativiteit. Thuis ging het helemaal niet goed en ik wilde absoluut niet meer mee naar de kerk. Ik begon me af te zetten tegen werkelijk alles. Op school ging het niet goed en ik deed ook helemaal niets voor school. Thuis was het alleen maar ruzie. Niemand snapte mij. Ik praatte nergens over. Ik kropte alles op.

Op stal stond er een paard in de handel. Zij stond er langer dan de andere paarden. Ik was gek op haar. En ja, je raadt het al. Ze werd verkocht. Ze is twee maanden weggeweest. Bij haar nieuwe eigenaar heeft ze een miskraam gehad. Ze stond weer te koop. De vrouw van stal heeft haar voor mij teruggekocht. En ik zou dan als betaling de stallen en paddocks elke dag uitmesten. Dat hield ik twee maanden vol, maar door mijn depressie, school, stage en de stallen uitmesten raakte ik oververmoeid. In zulke erge mate dat ik vaak flauwviel en geen puf meer had om mijn paardje te rijden. Toen hebben we haar weer weg moeten doen. Gelukkig had ik nog een verzorgshetlander. Die kon ik niet berijden en ze had minder aandacht nodig omdat ze met een vriendje lekker in de wei stond.

Diagnoses
Op mijn vijftiende kreeg ik de diagnose: dysthyme stoornis en ADD. Ook heb ik lang met een eetstoornis moeten worstelen. Niemand wist ervan af, alleen mijn psycholoog toen die tijd, maar die deed er niets aan. Aan het eind van mijn vijftiende jaar heb ik aan vrienden verteld dat ik op meisjes viel. Iedereen vond het leuk en reageerde heel lief. Toen kwam die grote stap om het mijn ouders te vertellen. Ik deed dit met een smsje. Ik kreeg als antwoord: “Dit dachten we al, maar je moet niet verwachten dan wij dit accepteren.”

Vanaf die dag ben ik alleen maar achteruit gegaan. Ik wilde niet meer leven. En mijn vele vragen werden beantwoord. Ik ben echt een heel slecht mens, mijn ouders accepteren mij niet eens dus wat doe ik hier eigenlijk nog?

Ik had het met mijn nieuwe psycholoog over mijn suïcidale gedachten. Ik weet nog heel goed wat ze toen aan me vroeg: “Heb jij je afscheidsbrieven al geschreven?”

Ik als zeventienjarig meisje zei: “Ja die heb ik al geschreven”. Het was de eerste keer dat ik huilde bij een psycholoog. En ik had al psychologen vanaf mijn twaalfde. Deze psycholoog was speciaal voor mij. Die middag dat ze aan me vroeg of ik mijn afscheidsbrieven al geschreven had was voor mij een opluchting. Ik kon eindelijk laten zien hoe ik me echt voelde. Diezelfde avond werd ik opgenomen op een gesloten afdeling.

De dingen die je daar meekrijgt en meemaakt zijn vreselijk. Ik heb daar twee tot drie weken gezeten en mocht daarna naar een open afdeling. Ik zat daar tien maanden. Meerdere keren ben ik naar het spoor gelopen om mezelf voor de trein te werpen, maar steeds kwamen ze me zoeken of kwam de trein niet opdagen. Nu ben ik erg dankbaar dat het me nooit is gelukt. Maar toen baalde ik vreselijk.

Toen kwam de week dat ik afscheid moest nemen en weer naar huis zou gaan. Ik was wel elk weekend thuis, maar het idee dat ik weer altijd thuis zou zijn maakte me bang. Ik wilde niet meer thuis wonen, want daar kon ik niet zijn wie ik was en in de kliniek wel. Na een week mezelf elke avond in slaap huilen kwam dan toch echt het afscheid. Het voelde als of ik aan mijn lot werd overgelaten. Ik was nog niet klaar om weg te gaan. Een maand thuis gewoond, en weer een diepe terugval. Ik moest weer drie maanden opgenomen worden. In die drie maanden hebben ze mij getest op borderline . En ja hoor, die diagnose kreeg ik er ook bij. Toen had ik een dysthyme stoornis, ADD en borderline.

Geaccepteerd
Na die opname heb ik eigenlijk niet meer thuis gewoond. Ik ging een beetje overal wonen. Bij tantes of bij vrienden. Inmiddels woon ik zelfstandig begeleid. Ik heb therapie gevolgd voor borderline en mijn dysthyme stoornis is van het lijstje afgehaald. Mijn ouders hebben me uiteindelijk geaccepteerd en ik zie ze elke week wel een keer.”




Luna – Dysthyme stoornis

“Herken je dat? Geen zin om je bed uit te gaan, geen zin om je vrienden/vriendinnen te zien of eventjes geen zin in wat dan ook? Ik herken het niet eens meer om wél zin in zulke dingen te hebben. Ik zie de wereld om mij heen bewegen, maar ik sta stil. Ik zie hoe iedereen waar ik van houd doorgaat met hun leven terwijl ze mij in hun greep hebben. Ik zie hoe het is om een dysthyme stoornis te hebben. Maar… Wat is dat eigenlijk?

Dysthyme stoornis is dezelfde somberheidsklachten als depressie. Het is een depressie die ten eerste langer aanhoud dan twee jaar en ten tweede heel moeilijk is om er weer vanaf te komen. Omdat je er al zo’n tijd mee loopt, weet je haast niet meer hoe het voelt om gelukkig te zijn. In andere woorden: je bent erg depressief, je valt dieper en dieper de put in en dit is helaas niet voor een korte periode.

Mijn dysthyme stoornis kwam op gang toen ik 13 jaar was, maar vanaf dat ik 15 jaar was kon je pas zeggen dat ik er mild last van had. Dit is blijkbaar vastgesteld. Mijn moeder zat in een diepe depressie en mijn zus ook. Soms hoorde ik dan ook dingen als dood willen zijn of iemand pijn willen doen. Met een thuissituatie als dat is het niet makkelijk om positief en vrolijk te blijven. Zeker niet als je met niemand kon praten, en in mijn geval wilde ik niet praten met de vreemde mensen die ineens rare dingen aan me vroegen.

Obsessie
Mij werd verteld dat ik anders zou zijn dan de anderen. Dat ik emotionele verwarring zou hebben en dat ik misschien wel eens een beperking zou hebben. Ik was geen lastige puber, maar bij zulke dingen was ik erg opstandig. Zo heb ik een half uur lang géén enkel woord gezegd tegen een persoon die mij wilde gaan ‘testen’ of ik ‘iets zou hebben’. Ik was er van overtuigd dat ik gewoon een zware jeugd had, maar dat ik normaal kon worden. Het werd zelfs een obsessie van me om zo hard mogelijk te proberen om zoals de rest te zijn.
Door mijn leven heen heb ik over flink wat obstakels moeten klimmen. Pesterijen, scheiding, suïcidale familieleden, onzekerheden, schoolniveau en mezelf. Hoe het leven op dat punt ook voor me was, zag ik er altijd wel wát positiviteit in. Maar hoe ouder ik werd… Hoe lastiger het was om de positieve gedachtes bij me te houden. Langzaam veranderde ik in een stil en onzeker meisje wat het liefst geen aandacht wilde.

Het liefst wilde ik mijn leven leven zonder dat iemand amper wist van mijn bestaan. Mijn sociale vaardigheden waren awkward maar het was niet moeilijk voor me om vrienden te maken. Maar om de vriendschappen te houden, was een ander verhaal. Wanneer diegene genoeg over mij wist wilde die geen vrienden meer met mij zijn. Omdat ik dat meisje was dat ‘altijd wel weer wat had’. Ik kon er niks aan doen, anders had ik het wel kunnen voorkomen.

Bloedende creaties
Wanneer ik in de spiegel keek en in mijn eigen ogen keek zag ik iemand die riep ‘help mij!’. En wanneer ik sommige foto’s van mijzelf terug zie, zie ik een glimlach met bezorgde ogen. Ik wilde een gezond leven lijden dus ging ik hardlopen. Weleens was ik een rondje in het bos aan het maken en voelde ik mezelf zo machtig. Ik streefde ernaar om sterker te worden. Om alles van me af te kunnen slaan. Zeker nadat ik wist dat ik niks kon doen wanneer zoiets zou gebeuren. Zeker niet voor dat typische bikini-figuur. Nee, ik liep rond met een lange broek en lange mouwen.  En zorgde er voor dat zo weinig mensen wisten wat mijn verslaving was. Een verslaving waar ik op gekomen ben door iemand van wie ik dacht dat we vrienden zouden blijven, maar ook mij verliet met de boodschap ”er is altijd wel wat met jou”. Een verslaving, zo gevaarlijk maar wat een goed gevoel gaf. Wanneer ik naar mijn bloedende creaties keek, voelde ik geen zorgen of pijn. Alsof ik na een lange dag onder een fijne warme douche stond.

Suïcidale gedachtes
Het leven met een dysthyme stoornis is ergens wel makkelijker dan het lijkt. Omdat je al zo lang loopt met een onzeker en slecht zelfbeeld van jezelf zorg je gewoon dat je zo weinig mogelijk in de spotlights staat. De suïcidale gedachtes schrikken je op een gegeven moment niet meer af en je hebt een automatisch antwoord op alle bezorgde vragen. De nachtmerries geven je trouwens niets meer dan enkel wat tranen en een slapeloze nacht, het blijft niet rondspoken in je hoofd. Maar het leven met zo’n stoornis is niet makkelijker dan leven ‘zonder iets’. Onbewust maakt het je langzaam gek.
In je hoofd bedenken dat je een bepaald persoon helemaal in elkaar slaat, enkel omdat diegene tegen je schreeuwt. Paranoïde genoeg om dingen te gaan geloven die er niet zijn, en er haast je levensdoel van te maken. Wanneer je jezelf ziet in de spiegel een hoopje ellende zien wat wanhopig haar haren borstelt en een gemaakte glimlach oefent.

Goed genoeg
In welke relatie dan ook, vraag je je zelf af of je wel goed genoeg bent. Mijn vader is recentelijk naar Thailand verhuist. Ben ik dan niet goed genoeg om hier te blijven wonen? En wanneer mijn vriend mij aankijkt dan vraag ik me af of hij wel gelukkig is met hoe ik ben. Nee natuurlijk niet, want er is altijd wel wat met mij. En wanneer ik de slappe lach heb met mijn beste vriendin vraag ik me af wanneer ik niet meer goed genoeg ben om langs te komen. En dit maakt je zó onzeker dat je nooit genoeg hebt. Nooit genoeg van de warme liefde, de speciale momenten waar ik zo van geniet of de gedachten dat alles oké zou zijn.

Het herkennen van geluk is lastig. Je moet altijd even stil staan in zo’n moment en je afvragen wat je voelt. Ben ik blij? Ja, maar ben ik écht blij? En voor hoe lang? Hoe moet ik blij reageren? Wat is gelukkig zijn voor mij? Hoe ik moet huilen weet ik heel goed. En hoe ik boos moet zijn op mezelf weet ik maar al te best. Ik word er dagelijks aan herinnerd als ik het slagveld van mijn armen en benen bekijk. Hoe ik ze bewerkt heb voor het leven met een mes. Omdat ik boos was, verdrietig of gefrustreerd.
Om negatieve gedachtes te creëren kost geen moeite. Wanneer iemand aan mij vraagt wat ik van mezelf leuk vind, antwoord ik zoals de rest: ”Ogen, haar, alles of geen idee”. Dat heb ik geleerd van mijn obsessie met ‘normaal’ zijn. Maar wat ik echt denk wat ik het leukst vind aan mezelf dan zou ik zeggen dat ik het leukste vind aan mezelf dat ik lekker alleen kan zijn. Of dat ik mezelf bewonder omdat ik hier nog op de wereld ben. Maar wanneer ik dat zou zeggen, zouden mensen raar van mij opkijken.
Ik heb geleerd om nep te zijn, als in nep-blij. Soms kom ik dan ook iets té enthousiast over. Maar wanneer ik iemand mij hoor beschrijven die zegt dat ik altijd wel blij ben ben ik stiekem trots op mezelf. Want er zijn weinig momenten dat ik écht blij ben en die momenten duren niet lang. Én er zijn weinig mensen die van mijn stoornis weten, eerder nog zelfs zijn vergeten dat ik hier elke dag mee loop.

Er zijn weinig, of zelfs niet eens mensen die weten wat voor gevecht ik met mijzelf heb wanneer ik mijn bed uit moet. Of wanneer ik probeer om vrolijk te lijken terwijl ik op het zelfde moment met depressieve gedachtes in mijn hoofd aan het lopen ben. Op het station wanneer er een trein voorbij komt denk ik makkelijk ”had er ook nu onder kunnen liggen.” Terwijl de rest van de wachtende mensen naar hun telefoon kijken, een druk gesprek voeren met elkaar of de krant lezen. Niemand weet wat ik dan op dat moment denk. Zelfs niet wanneer ik met mensen op dat moment aan het praten ben. Nep zijn is moeilijk, want wanneer iedereen denkt dat het goed gaat met jou en jij in je bedje heel hard zit te huilen kan je niet zomaar binnenvallen met je problemen. Sterker nog, niemand zal je begrijpen.

Zelfbeeld
Niemand die je begrijpt. Dat is dan weer zo’n verwarring wat je hebt. Want het klinkt zo dramatisch en zegt waarschijnlijk wat over je zelfbeeld. Maar er is dan écht niemand die je begrijpt. Wanneer je zou zeggen dat je een rot gevoel hebt omdat je een slecht cijfer op school had zouden ze denken dat je er wel een nachtje over slaapt. Nou, na 10 weken herinner jij je nog goed wat je zelfs had ontbeten die dag. En niemand die weet hoe het is om met zo’n stoornis te lopen elke dag zal niet begrijpen hoe trots je kunt zijn op jezelf als je je bed uit bent gegaan en in staat was om te stofzuigen. Omdat alles wat je wil doen is enkel in een donkere kamer in een bed te liggen en na te denken over hoe slecht je wel niet bent.
De frustratie dat iemand voor 5 minuten voelt zul jij voelen voor misschien zelfs een maand. En het ergste is nog. Wanneer je gaat slapen weet je dat je morgen weer precies het zelfde moet doen.Zo’n gevecht met jezelf is zwaar. En daarom stel je altijd iedereen boven jezelf. Je wilt niet meer aan je eigen problemen denken, maar aan dat van een ander. En omdat je dat maar al te graag doet vergeet je jezelf nog wel eens. Zo vergeet je wat je nodig hebt. Een potje hard huilen, een uurtje douchen of eventjes tv kijken. En wanneer je faalt heb je gelijk je bevestiging van je slechte zelfbeeld. Dan snap je ook gewoon niet waarom er mensen vrijwillig met je omgaan. Wanneer ze op bezoek komen vraag je je op dat moment af waarom ze er eigenlijk zijn.

Lach
De dingen die je het hardste roept tegen jezelf zijn dingen waar iedereen wel ongelukkig van wordt. ”Ik kan het niet.” ”Ik ben altijd degene met problemen.” ”Ik haat mezelf.” ”Ik ben niet goed genoeg.” En hoe meer je faalt, hoe meer bevestiging. En daardoor ga je jezelf geloven. En dan krijg je het gevoel dat je nooit goed genoeg voor iets of iemand bent. Je krijgt het gevoel dat je op de wereld bent, zonder waarde. En je krijgt het gevoel dat iedereen beter af is zonder jou bestaan. Je krijgt allemaal gevoelens, verdriet, boosheid, onzeker en gebroken. En dan pas ga je uit bed. Wetende dat iedereen zal denken dat die lach van je echt is. Dat je haast een totale andere persoon bent. Iemand, zonder dysthyme stoornis.”
—–
*) Luna is niet de echte naam van degene die dit heeft geschreven. Ze wil graag anoniem blijven.