1

Whiplash

Een whiplash ontstaat als je je nekspier verrekt, bijvoorbeeld door een aanrijding van achteren. Hierdoor kun je nekpijn en hoofdpijn krijgen, en je misselijk, moe of duizelig voelen. Ook kunnen er problemen zijn met onthouden of je aandacht ergens bij houden.

Door een whiplash krijg je pijn aan je nek, schouders en soms ook je armen. Omdat je nek stijf voelt, is het lastig om deze te bewegen.

Vaak krijg je ook allerlei andere klachten, zoals:

Diagnose van een whiplash

Een whiplash krijg je door een ongeluk waarbij je hoofd eerst hard naar achteren en daarna hard naar voren is geslingerd. Dit gebeurt meestal door een ongeluk in het verkeer. Maar het kan ook gebeuren tijdens het sporten, je werk of een ongeluk thuis.

Door een whiplash krijg je pijn aan je nek, je schouders en soms ook je armen. Dit maakt het lastig om deze delen van je lichaam te bewegen.

Vaak zijn er ook andere klachten. Zoals hoofdpijn, moeheid of duizeligheid. Ook kun je moeite hebben met onthouden en je aandacht ergens bijhouden. In de maanden na het ongeluk kun je extra veel last van klachten krijgen.

Met deze klachten kom je vaak eerst bij je huisarts. Die zal je eerst vragen stellen over het ongeluk en je klachten, en daarna je lichaam onderzoeken. Vaak kan de huisarts hierna bepalen of je een whiplash hebt.

Meestal is verder onderzoek niet nodig. Soms verwijst de huisarts je door naar een fysiotherapeut of oefentherapeut. Als verder onderzoek wél nodig is, dan verwijst de huisarts je door naar een speciale arts in het ziekenhuis. Meestal is dit een neuroloog.

Bij een whiplash is er op een scan van je hersenen geen schade te zien. Het maken van een scan van je hersenen heeft daarom geen zin. Een arts kan de diagnose alleen stellen door te vragen naar je klachten en de gebeurtenis waardoor deze ontstaan zijn.

Oorzaken van een whiplash

Een whiplash ontstaat door een onverwachte en heel snelle beweging waarbij je hoofd eerst hard naar achteren en daarna hard naar voren slingert. Door deze beweging rekt je nek te ver uit. Hierdoor kunnen bepaalde delen van en rond je nek, hoofd en schouders beschadigd raken.

Een whiplash krijg je meestal door een ongeluk in het verkeer. Maar het kan ook ontstaan door een ongeluk tijdens het sporten, je werk of gewoon thuis.

Behandeling van een whiplash

Meestal gaan de klachten die bij een whiplash horen vanzelf over.

Direct na het ongeluk zal de huisarts of fysiotherapeut je aanraden om alles zo gewoon mogelijk te blijven doen. Soms geven zij je oefeningen om te zorgen dat je dagelijkse activiteiten weer zo snel mogelijk zelf kunt doen. Door veel te bewegen kun je de kans op blijvende klachten kleiner maken.

Als je problemen met denken of problemen met emoties hebt, dan kan een neuropsycholoog je speciale therapie geven. Zoals cognitieve gedragstherapie. En als er problemen zijn met zien, dan kan een functioneel optometrist je daarmee helpen.

Door de whiplash kun je in het begin veel pijn hebben. Dit gaat meestal vanzelf over. Heel soms gebeurt het dat je er veel pijn aan overhoudt. Als dit zo is, dan kun je terecht in een speciaal pijncentrum. Hier heb je een verwijzing van je huisarts voor nodig.

Gevolgen van een whiplash

Als je een whiplash krijgt, gaan de klachten meestal binnen een paar weken tot maanden vanzelf over.

Het kan ook zijn dat je er blijvende klachten aan overhoudt. De whiplash kan dan verschillende gevolgen hebben:

  • Iets begrijpen: je kunt problemen krijgen met onthouden en ergens je aandacht bijhouden. Dit kan het moeilijker maken om dingen te begrijpen.
  • Jezelf verplaatsen: een whiplash kan leiden tot problemen met bewegen, je evenwicht en zien. Bij ernstige klachten kan fietsen of autorijden dan ook gevaarlijk zijn. Een stukje wandelen kan vaak nog wel. Dit kan de pijn soms zelfs verminderen.
  • Jezelf verzorgen: je omrollen in bed, je gezicht scheren, je kleren aantrekken. Als je vaak een stijve, pijnlijke nek hebt kan het lastiger zijn zulke dingen te doen.
  • Omgaan met anderen: door verschillende mentale en lichamelijke klachten kun je minder energie hebben om anderen te zien of spreken. Ook kun je problemen met emoties krijgen.
  • Dagelijkse activiteiten: het kan nodig zijn om dagelijkse activiteiten anders aan te pakken en rustig op te bouwen. Ook genoeg rust nemen, je spieren oefenen en speciale hulpmiddelen gebruiken kan helpen.
  • Meedoen aan de wereld: bij ernstige klachten is het mogelijk dat je bijvoorbeeld niet meer kunt werken of sporten. Ook kun je het gevoel hebben dat je omgeving je klachten niet goed begrijpt.

(Bron en meer informatie: Hersenstichting)




Hypermobiliteitssyndroom (HMS)

Als je hypermobiel bent, zijn je gewrichtsbanden en pezen te soepel. Je gewrichten krijgen daardoor niet genoeg steun en worden te beweeglijk. Meestal merk je dat je hypermobiel bent aan je vingers en knieën en aan je wervelkolom. Deze kun je waarschijnlijk verder strekken dan andere mensen. Ook andere gewrichten zijn vaak erg soepel.

Hypermobiliteit hoeft geen klachten te geven. Wel kan je pijn krijgen aan je spieren of gewrichten. Ook raken je spieren vaak sneller overbelast omdat ze harder moeten werken om je gewricht(en) stabiel te houden. Als je door hypermobiliteit spier- of gewrichtsklachten krijgt, heet het hypermobiliteitssyndroom (HMS).

Hypermobiliteit komt vrij veel voor, vooral bij jonge mensen. Het komt ook meer voor bij vrouwen en mensen van Aziatische afkomst.

De precieze oorzaak van hypermobiliteit is onbekend. Het is misschien erfelijk. Als je heel erg hypermobiel bent, onderzoekt je arts of je een aandoening hebt die hiermee in verband staat. Ernstige hypermobiliteit komt heel weinig voor.

Te soepele gewrichten geven over het algemeen geen grote problemen. Als je toch klachten hebt, gaat het meestal om pijn of overbelasting van je spieren en pezen. Deze klachten kunnen kortdurend zijn maar het komt ook voor dat ze langer aanhouden. Het begint vaak met wat vage klachten.

Sneller blessures

Je loopt met hypermobiliteit wat meer kans op ‘verstuikte’ gewrichten tijdens het sporten dan mensen zonder hypermobiliteit. Ook je schouder schiet wat sneller ‘uit de kom’ of je knieschijf gaat wat sneller van zijn plaats. Je krijgt ook eerder klachten bij activiteiten die je vaak herhaalt.

Je arts stelt de diagnose op basis van je klachten en het lichamelijk onderzoek. Als dat nodig is, laat je arts bloedonderzoek doen of röntgenfoto’s maken.

Bloedonderzoek en röntgenfoto’s laten bij hypermobiliteit geen afwijkingen zien.

Het komt voor dat er een andere aandoening in het spel is. Een bekende erfelijke aandoening die ook hypermobiliteitsklachten geeft, is het Ehlers Danlos syndroom. Als je huisarts het vermoeden heeft dat de oorzaak van je klachten door deze aandoening wordt veroorzaakt, dan krijg je een verwijzing naar een klinisch geneticus.  Een klinisch geneticus is gespecialiseerd in het vaststellen en behandelen van erfelijke aandoeningen.

Bekijk de plaatjes hieronder en stel jezelf de volgende vragen. Kun je:

  • je pinken 90° of verder overstrekken?
  • je duimen tegen je onderarm leggen?
  • je ellebogen met 10° overstrekken?
  • je knieën met ongeveer 10° overstrekken?
  • als je voorover buigt je handen plat op de grond leggen zonder je knieën te buigen?

Is het antwoord op de meeste van bovenstaande vragen ‘ja’? Dan ben je waarschijnlijk hypermobiel.

Hypermobiliteit testen

Er is weinig bekend over het verloop van hypermobiliteit. Wel is het duidelijk dat je bij hypermobiliteit meer kans hebt op overbelasting van je gewrichten.

Ook heb je een groter risico dat je als gevolg van die overbelasting artrose ontwikkelt.

Meer informatie over artrose

Medicijnen

Er zijn geen medicijnen om hypermobiliteit tegen te gaan. Wel zijn er medicijnen die pijnklachten verminderen zoals paracetamol.

Als je gezwollen en ontstoken gewrichten hebt, schrijft je (huis)arts wel eens ontstekingsremmende pijnstillers(NSAID’s) voor.
Lees meer over NSAID’s

Behandelaars

Wat de beste behandeling is bij hypermobiliteit hangt af van de klachten die je hebt.

  • Oefen- of fysiotherapie

Sommige spieren kunnen een deel van het werk van je gewrichtsbanden opvangen. Een fysio- oef oefentherapeut adviseert en helpt je met oefeningen om de spieren rondom je gewricht extra te versterken.

  • Ergotherapie

Als je ernstige klachten hebt, kan een ergotherapeut je helpen. Bijvoorbeeld bij het aanmeten van orthesen. Dit zijn ondersteunende hulpmiddelen zoals een polsspalk, een SI-band of een halskraag.

  • Podotherapie

Bij voet of knieklachten helpen speciale zooltjes in je schoenen vaak. Een podotherapeut helpt je hierbij.
Lees meer over verschillende behandelaars

Aanvullende behandelingen

Er bestaan veel soorten alternatieve behandelingen. Soms merken mensen met een reumatische aandoening hiervan een positief effect. Overleg altijd eerst met je arts voordat je met een alternatieve behandeling begint omdat die bijwerkingen kan geven of een wisselwerking kan hebben met de medicijnen die je gebruikt.
Lees meer over alternatieve behandelingen

(Bron en meer informatie: ReumaNederland)




Vijf redenen waarom mensen met ADHD/ADD zich schamen

Schaamte is een emotie die een grote rol speelt in het leven van mensen met ADHD en ADD. Schaamte over wie je bent en hoe je bent. Schaamte omdat je dingen niet (goed) gedaan hebt. Schaamtegevoelens kunnen negatieve gevolgen hebben, waaronder depressie en angst. Laat het zover niet komen. Oké, je hebt AD(H)D-kenmerken en die zitten soms in de weg. Dat is geen onwil, maar onvermogen. Arda Nieboer schreef dit artikel voor het Impuls & Woordblind Magazine.

1. Schaamte over het hebben van ADHD/ADD
Veel mensen schamen zich voor het hebben van ADHD/ADD. Hoe zit dat bij jou? Als je je schaamt voor ADHD/ADD, schaam je je voor een deel van jezelf. Ben je misschien bang voor oordelen of een andere bejegening? Misschien houd je de schijn op, zodat mensen je struggles niet te weten komen? Dit kan vermoeiend en eenzaam zijn. Omdat je de ondersteuning die je nodig hebt niet krijgt en hierdoor minder close bent met de mensen die je in je leven hebt. Het zou geweldig zijn als het hebben van ADHD/ADD net zo oké is als het hebben van je haarkleur. Als je gewoon open kunt zijn. Dat is lastig omdat het bij jou anders werkt dan bij de meeste andere mensen. Veel mensen herkennen zich wel in de kenmerken, maar kunnen zich niet voorstellen dat ze bij jou structureel zijn en dat dit je gedrag sterk beïnvloedt. Mensen die oordelen, kun je beter mijden. Wees open en ben jezelf, vooral bij mensen bij wie dat kan.

2. Schaamte over het anders zijn en je anders voelen
Herkenbaar? Kinderen en jongeren hebben hier vaak meer last van dan volwassenen. Ze willen er graag bij horen. Houden er niet van als ze opvallen of de aandacht op zichzelf vestigen. Toch geldt dit voor volwassenen ook vaak. Afgezien van de bekende symptomen die samengaan met ADHD/ADD, zoals hyperactiviteit en impulsiviteit, zijn er ook andere verschillen doordat je ADHD/ADD hebt. Op tijd komen kan lastig zijn, je vergeet vaak dingen of je kunt chaotisch zijn. Jouw gebruiksaanwijzing is anders dan bij de meeste andere mensen. Om goed te functioneren, moet jij dingen vaak anders aanpakken.

De drie andere redenen lees je op de site van de GGZNieuws. Klik hier!




Narcolepsie

Narcolepsie is een slaap-/waakstoornis. Kenmerkend voor narcolepsie is slaperigheid en bijna onbedwingbare slaapaanvallen overdag. Daarnaast is de nachtslaap vaak verstoord. Andere symptomen waar mensen met narcolepsie mee te maken hebben, zijn bijvoorbeeld kataplexie, slaapverlamming en/of hypnagoge hallucinaties. Er wordt aangenomen dat narcolepsie een auto-immuun ziekte is.

Narcolepsie is een chronische neurologische aandoening, die wereldwijd gemiddeld bij 1 op de 2000-3000 mensen voorkomt. In Nederland zijn er naar schatting tussen de 6.000 en 8.000 mensen met verschijnselen van narcolepsie, maar bij slechts 1.500 patiënten is de diagnose gesteld. Omdat de aandoening relatief onbekend is bij artsen en vaak verward wordt met psychische aandoeningen, duurt het gemiddeld tien jaar voordat de juiste diagnose wordt gesteld, en bij sommigen wordt de diagnose helemaal niet gesteld.

Narcolepsie is een vrij zeldzame aandoening. Toch kan van een arts worden verwacht dat hij/zij op grond van de unieke combinatie van klachten, het bestaan van narcolepsie kan vermoeden. Het is daarom van groot belang dat je zelf zo goed mogelijk de klachten aan je arts vertelt en zegt welke invloed deze hebben op je dagelijks bestaan. Om daar een goede inventarisatie van te maken, vind je hieronder symptomen die zich kunnen voordoen.
Niet alle symptomen zullen bij iedereen voorkomen.

Slaapaanvallen

Als je narcolepsie hebt, kun je, vanwege een voortdurend gevoel van slaperigheid en oververmoeidheid, overdag de neiging hebben tot onverwacht in slaap vallen (10-30 minuten). Deze korte slaapjes zijn niet tegen te gaan en komen vooral voor bij rustige en/of eentonige bezigheden. Bijvoorbeeld in de trein of auto, bij zittend werk, vergaderingen, of bij tv-kijken. Meestal voelen mensen met narcolepsie deze onbedwingbare neiging tot in slaap vallen, aankomen. Soms kun je -door inspanning of actief bezig zijn- zo’n slaapaanval onderdrukken, maar het gevolg daarvan kan zijn dat je je de rest van de dag vermoeid voelt en je prikkelbaar bent. Vrijwel alle patiënten (95% – 100%) hebben last van deze klachten.

Kataplexie

 

Veel mensen met narcolepsie (ongeveer 60-70%) hebben ook kataplexie, korte spierverslappingen die ontstaan door bepaalde emoties of inspanningen, zoals hard lachen, woede, een plotselinge ontmoeting of tijdens het sporten. Vaak verslappen in eerste instantie de spieren van de nek, het gezicht en de benen. Een aanval van kataplexie duurt meestal de tijd van de emotie. Mensen zijn op dat moment wel bij bewustzijn maar kunnen zich beperkt bewegen. Dit kan voor de omgeving ongerustheid geven. De aanval herstelt zich echter altijd vanzelf.

Slaapverlamming

Ook slaapverlamming (slaapparalyse) komt veel voor bij mensen met narcolepsie. Je bent je dan nog wel bewust van de omgeving, maar niet in staat je te bewegen, wat erg beangstigend kan zijn voor de persoon in kwestie. De oorzaak hiervan is dat bij mensen met narcolepsie de REM-slaap kort na het inslapen al begint, of zelfs direct bij het begin van de slaap (SOREMP of Sleep Onset REM Period). Ongeveer 30% van de mensen met narcolepsie heeft hier regelmatig last van.

Hypnagoge hallucinaties

Ongeveer 25% van de mensen met narcolepsie hebben te maken met hypnagoge hallucinaties (dat is niet hetzelfde als gewone hallucinaties). Het gaat bij hypnagoge hallucinaties om korte, levendige droombeelden die soms nauwelijks van de werkelijkheid zijn te onderscheiden. Tijdens de droom kun je allerlei (beangstigende) zaken zien, horen of voelen. De hallucinaties duren meestal enkele minuten, bijna nooit langer dan tien minuten. Ze treden op tijdens het inslapen ’s nachts, maar ook overdag.

Regelmatig onderbroken nachtelijke slaap

Ook een oppervlakkige en onrustige slaap met regelmatig wakker worden is een verschijnsel waar meer dan de helft van de mensen met narcolepsie last van heeft. Je wordt dan al na één of twee uur wakker en dit kan zich om de twee uur herhalen. Ook kunnen mensen met narcolepsie vaak langere tijd wakker liggen (één tot twee uur). Verder kan de slaap ‘s nachts worden verstoord door angstdromen en veel lichaamsbewegingen, zoals schoppen tijdens het slapen.

Overige klachten

Andere, niet specifiek narcolepsieklachten, die regelmatig voorkomen zijn:

  • Automatisch gedrag
    Bij ernstige vermoeidheid kan iemand met narcolepsie een vorm van “automatisch gedrag” vertonen, zoals iets doen dat je je achteraf niet meer herinnert.
    Voorbeelden van automatisch gedrag zijn:

    • tijdens het spreken gaan brabbelen,
    • op de verkeerde halte van de bus stappen of bij het naar huis lopen in de verkeerde straat terechtkomen of plotseling ontdekken dat je voor de deur van een ander huis staat,
    • eten uit de koelkast opeten en dat later niet meer weten,
    • spullen ergens neerleggen waarvan je geen herinnering hebt.
  • Concentratie- en geheugenstoornissen (black-outs)
    Vaak klagen mensen met narcolepsie over een slecht geheugen. Dit is nog niet aangetoond door uitgebreid psychologisch onderzoek. Blijkbaar heeft het vooral te maken met het feit dat het lastig is de aandacht vast te houden. Ook komen problemen met het gezichtsvermogen voor; toegenomen slaperigheid gaat vaak gepaard met oogleden die dichtvallen of ogen die rooddoorlopen zijn en met wazig of dubbel zien.
  • Psychosociale gevolgen
    Mensen met narcolepsie worden door hun omgeving vaak ten onrechte gezien als lui en ongeïnteresseerd. De slaapaanvallen en de kataplexie hebben grote psychosociale gevolgen. Omdat de verschijnselen over het algemeen tussen het 15e en 30e levensjaar voor het eerst voorkomen, kunnen deze ingrijpende consequenties hebben op het leven, studie, werk en sociale contacten.

Herken je een of meer van de symptomen die hierboven zijn genoemd? Neem dan contact op met je huisarts voor een verwijzing naar een specialist en/of een slaap-/waakcentrum.

(Bron en meer informatie: Nederlandse Vereniging Narcolepsie)




Anne heeft alopecia: ’Ik ben bang dat ik nooit zal wennen aan mijn nieuwe uiterlijk’

Anne heeft alopecia. Een ziekte waarbij je – soms volledig – kaal wordt. Bij Anne (32) sloeg de ziekte op haar 22ste toe en sindsdien is het een eeuwige strijd. Er zijn periodes geweest waarin er niets aan de hand was, maar nu zet de uitval door en vallen de haren er met bossen uit. Voor VROUW van de Telegraaf blogt ze wekelijks over dit proces. Deze keer over de moeilijke keuze waar ze voor staat.”

„Op het moment van schrijven sta ik voor een onmenselijke keuze: tondeuse erover of niet? Ik geef jullie vandaag een kijkje in mijn gedachten. En ja, die gaan écht alle kanten op.

Sinds 1,5 jaar is mijn haaruitval flink verergerd, maar de keuze voor een haarwerk of de tondeuse erover leek toch altijd nog ver weg. In het laatste kwartaal van 2021 wist ik alleen niet wat me overkwam. Mijn haaruitval werd nóg erger (ik wist niet dat dat nog mogelijk was). Na weken van ellende stopte de uitval ineens. Zomaar, abrupt. Achteraf een groot cadeau, want dit betekende geen haaruitval tijdens mijn bruiloft! Maar hoe dan? Waarschijnlijk doordat ik na een jaar geen pil te hebben geslikt, hier weer mee begon (op advies van de artsen die bij mij PCOS hebben vastgesteld). In de pil zitten vrouwelijke hormonen die ik tekort kom. Feest dus! Of toch niet?

(Bron en verder lezen: Telegraaf)




Nefrotisch syndroom

Bij het nefrotisch syndroom is er schade aan de nierfilters. Om precies te zijn: aan bepaalde cellen in de nierfilters. Die cellen heten podocyten. Deze podocyten raken aangetast of verdwijnen. Er komen dan gaten in de filters. Daardoor kunnen er eiwitten weglekken via de urine. Door het eiwitverlies ontstaat een tekort aan eiwit in het bloed. Dit leidt weer tot vochtophoping.

Het nefrotisch syndroom kan veel verschillende oorzaken hebben. Het komt voor bij verschillende nierziekten, zoals membraneuze nefropathie, FSGS en IgA-nefropathie. Maar de schade aan de nierfilters kan ook het gevolg zijn van andere aandoeningen. Bijvoorbeeld diabetes, kanker of hiv. Of systeemziekten als SLE of amyloïdose. Dit zijn ziektes die niet alleen de nieren maar ook andere organen aantasten.

De arts gaat altijd op zoek naar de oorzaak van het syndroom. Dat is nodig om te bepalen wat de juiste behandeling is.

De meest voorkomende oorzaken van het nefrotisch syndroom zijn:

  • membraneuze nefropathie (MN)
    Dit is de meest voorkomende oorzaak van het nefrotisch syndroom bij volwassenen. Bij MN keert het afweersysteem zich tegen de cellen in het nierfilter: de podocyten. Daardoor ontstaat schade aan de nierfilters.
  • focale segmentale glomerulosclerose (FSGS)
    Bij deze aandoening vormen zich kleine littekens in de nierfilters. Dit heet ook wel sclerose. Dit kan gebeuren doordat er iets misgaat met het afweersysteem. Maar het kan ook het gevolg zijn van een andere ziekte of medicijngebruik.
  • IgA-nefropathie
    Bij deze aandoening komen er antistoffen in de nierfilters terecht. Het gaat om IgA-antistoffen. Dit zijn antistoffen die bij iedereen voorkomen, maar bij mensen met IgA-nefropathie worden er afwijkende IgA-antistoffen gevormd. Deze afwijkende IgA-antistoffen veroorzaken een ontstekingsreactie in de nier. Daardoor ontstaat er schade aan de nierfilters.
  • minimal change disease (MCD)
    Bij kinderen is dit de meest voorkomende oorzaak van het nefrotisch syndroom. Bij MCD is er plotseling veel eiwitverlies, maar is er bijna geen schade aan de nierfilters te zien. Alleen onder een speciale microscoop zijn kleine veranderingen (minimal changes) zichtbaar.

Op nieren.nl vindt u uitgebreidere informatie over de verschillende aandoeningen:




MRKH syndroom

Het MRKH syndroom (Mayer-Rokitansky-Küster-Hauser syndroom) is een aangeboren aandoening. Alleen vrouwen kunnen MRKH syndroom hebben.

Vrouwen met deze aandoening hebben geen vagina en geen baarmoeder. Of hun vagina en baarmoeder zijn niet goed ontwikkeld. De eierstokken ontwikkelen zich wel. Vanaf de puberteit is er een eisprong, maar de meisjes worden niet ongesteld. Meisjes en vrouwen met MRKH syndroom zien er aan de buitenkant net zo uit als elke andere vrouw. Zij hebben uitwendige geslachtsdelen en krijgen in de puberteit borsten.

Als een vrouw alleen geen vagina en baarmoeder heeft, wordt dat MRKH syndroom type 1 genoemd. Sommige vrouwen met MRKH hebben nog meer kenmerken. Zij hebben dan MRKH syndroom type 2. Een andere naam voor type 2 is: MURCS associatie.

Bij Mayer-Rokitansky-Küster-Hauser syndroom type 2 kan iemand  afwijkingen aan de nieren hebben. En bij sommige vrouwen is er iets mis met het skelet, meestal is dat de wervelkolom. Soms is er iets met het hart. Sommige vrouwen zijn slechthorend.

Andere namen voor deze ziekte:

Mayer-Rokitansky-Küster Syndroom (MRK)
MRK syndroom
Mayer-Rokitansky-Küster-Hauser Syndrome type 1
Mayer-Rokitansky-Küster-Hauser Syndrome type 2
Mullerian aplasia
Mullerian dysgenesis
Congenital absence of uterus and vagina
CAUV
Genital Renal Ear Syndrome (GRES)
MURCS associatie
46,XX-DSD

Hoe wordt deze ziekte vastgesteld?

Het Mayer-Rokitansky-Küster-Hauser syndroom wordt meestal ontdekt als in de puberteit een meisje niet ongesteld wordt. De gynaecoloog kan de diagnose bevestigen. Soms wordt röntgenonderzoek of een MRI gedaan.

Is er behandeling voor deze ziekte?

Er zijn verschillende mogelijkheden om met of zonder operatie een vagina te maken.

  • Hoe vaak komt het voor?

In Nederland worden naar schatting per jaar 4 vrouwen met het MRKH syndroom geboren. Over de hele wereld worden er 1 op de 4.500 vrouwen geboren met dit syndroom.

Wat is de oorzaak van deze ziekte?

Bij meisjes-baby’s vormen zich in het begin van de zwangerschap de baarmoeder en de vagina. Ze worden gemaakt uit de twee buizen van Müller. Maar bij het Mayer-Rokitansky-Küster-Hauser syndroom hebben deze buizen zich niet samengevoegd. Waarom dit gebeurt, weten we nog niet.

Is deze ziekte erfelijk?

Meestal is een vrouw met MRKH syndroom de eerste en enige in de familie.
Het MRKH syndroom lijkt in sommige families autosomaal dominant erfelijk te zijn, waarbij de kenmerken van vrouw tot vrouw kunnen verschillen. Maar meestal is niet bekend of en hoe de aandoening erfelijk is.

Kinderwens

Vrouwen met het MRKH syndroom kunnen soms een kind krijgen met hulp van een draagmoeder. Hun met IVF bevruchte eicellen worden dan in de baarmoeder van een draagmoeder geplaatst.

Meer info voor patiënten

(Bron en meer informatie: Erfelijkheid.nl)




Niet-functionerend hypofyseadenoom (NFA)

Een niet-functionerend hypofyseadenoom (NFA) is een goedaardige tumor die ontstaat in het hypofyseweefsel. Een NFA wordt niet-functionerend genoemd omdat de tumor geen hypofysehormoon produceert. De oorzaak voor het ontstaan van een NFA is niet bekend. Een NFA is niet kwaadaardig. 

Er zijn twee soorten niet-functionerende hypofyseadenomen: het niet-functionerend microadenoom (doorsnede minder dan 1 cm) en het niet-functionerend macroadenoom (doorsnede meer dan 1 cm). Een microadenoom veroorzaakt meestal geen klachten en hoeft daarom vaak niet behandeld te worden, tenzij de adenoom op de oogzenuw of hypofyse drukt. Macroadenomen veroorzaken over het algemeen wel klachten.

De klachten van een niet-functionerend hypofyseadenoom ontstaan door de druk die het gezwel uitoefent op de omliggende weefselsDit gebeurt vaak bij een adenoom groter dan een centimeter. Het normale hypofyseweefsel en de oogzenuwen kunnen in de verdrukking komen. Hierdoor kunnen ze minder goed functioneren en zo ontstaan verschillende klachten.

Klachten die veel voorkomen bij mensen met een niet-functionerend hypofyseadenoom zijn: 

  • Hoofdpijn
    Wanneer een niet-functionerend hypofyseadenoom druk uitoefent op het hersenvlies en de hersenen in het omliggende gebied, dan kan hoofdpijn ontstaan. Deze kan heel heftig zijn en soms gepaard gaan met braken en misselijkheid. Slinkt het gezwel door de behandeling, dan verdwijnen deze klachten ook vaak
  • Problemen met zien
    Soms is het gezwel zo groot dat het op de oogzenuwen, vlak boven de hypofyse, drukt. Het gezichtsvermogen neemt af en je krijgt problemen met zienDrukt het gezwel op de plek waar de oogzenuwen elkaar kruisen? Dan leidt dit tot een versmalling van het gezichtsveld. De zijkant is wazig of je hebt het gevoel oogkleppen op te hebben. Ook dubbelzien komt voor. Soms kunnen mensen zelfs blind worden. Wordt er tijdig ingegrependan kan het gezichtsvermogen vaak weer helemaal of grotendeels herstellen

Let op: deze klachten komen niet bij iedereen met een niet-functionerend hypofyseadenoom voor. Ook de intensiteit van de klachten verschilt per persoon.

Mogelijke symptomen van een niet-functionerend hypofyseadenoom (NFA) bij mannen en vrouwen. Bij iedere patiënt zijn de klachten verschillend. De genoemde verschijnselen hoeven dan ook niet bij iedereen voor te komen.
Wanneer een niet-functionerend hypofyseadenoom te veel druk uitoefent op de hypofyse, dan kan de hormoonhuishouding verstoord raken. Dit heet hypopituïtarisme. Cellen die hormonen aanmaken komen in de verdrukking, waardoor de hypofyse minder goed hormonen kan afgeven. Zo kan een tekort aan een of meerdere hypofysehormonen ontstaan

Het gaat met name om deze klachten:

  • Vermoeidheid
    Vermoeidheid is een vaak voorkomende klacht. We hebben het hier niet over een ‘gewone’ vermoeidheid (prettig moe). Deze ‘abnormale’ vermoeidheid voelt vervelend aan, kan plotseling opkomen en is niet gerelateerd aan inspanning. Hij kan zowel lichamelijk als geestelijk zijn en het duurt vaak lang voordat je hiervan herstelt.
  •  Emoties
    Is je hormoonhuishouding verstoord? Dan kan ook je gevoelsleven ontregeld raken. Je kunt erg emotioneel worden of snel aangebrand, het ‘korte lontje’. Je hebt dit niet altijd in de gaten en vaak kun je er ook niets aan doen. Voor jouw omgeving is het wel merkbaar. Je bent vergeleken bij vroeger anders, onredelijker, sentimenteler, moeilijker om mee te leven.
  • Gevoelsleven
    Veel mensen met een hypofyseaandoening worstelen met depressieve gevoelens en stemmingswisselingen. Omdat niet duidelijk is waar deze emoties en ‘mood swings’ vandaan komen, kun je hier onzeker van worden. Mensen in je naaste omgeving vinden deze emoties moeilijk te begrijpen.
  • Seksualiteit
    Veel mensen met een niet-functionerend hypofyseadenoom hebben seksuele problemen. Ze hebben bijvoorbeeld minder zin in seks. Dit kan leiden tot spanningen met de partner.
  • Vruchtbaarheidsproblemen
    Mensen met een kinderwens krijgen te maken met vruchtbaarheidsproblemen. Gelukkig is hier iets aan te doen. 

Meer informatie over de verschillende hypofysehormonen, hun functie en de klachten die kunnen ontstaan wanneer er een hormoontekort optreedt door het NFA, lees je inzet hoofdstuk over (pan)hypopituïtarisme. 

Hypofyseaandoeningen zijn voor veel huisartsen zeldzaam. Vaak duurt het hierdoor lang voor een diagnose van niet-functionerend hypofyseadenoom wordt gesteld. Bij een niet-functionerend hypofyseadenoom is het ook zo dat de symptomen en de klachten geleidelijk optreden. Dit maakt diagnosestelling en/of doorverwijzing door de huisarts en/of specialist extra ingewikkeld. 

Diagnose

Bij het vermoeden van een niet-functionerend hypofyseadenoom wordt in alle gevallen een MRIscan gedaan. Zo krijgt de arts een beeld van de grootte en de ligging van het gezwel. Ook wordt een gezichtsveldonderzoek gedaan. Dit om vast te stellen of er schade is aan het gezichtsvermogen. Het bloed wordt ook onderzocht om de waarden van alle hypofysehormonen te bepalen en zo te controleren of de hypofyse voldoende functioneert. 

Voordat een definitieve diagnose wordt gesteld, doet jouw arts nog verschillende onderzoeken. Niet iedereen krijgt dezelfde onderzoeken.

Veel mensen ervaren de periode voor de diagnose als een moeilijk en zwaar. Dit komt voor een groot deel door de klachten die veel hinder geven. Maar ook door onbegrip door de naaste omgeving. Omdat de klachten niet worden (h)erkend, worden ze snel afgedaan als ‘vaag’ of met de opmerking dat het allemaal ‘tussen de oren’ zit. 

Hierdoor voelen veel mensen met een hypofyseaandoening zich in de periode voor de diagnose erg alleen en onbegrepen. De diagnose kan een gevoel van opluchting geven. Eindelijk is duidelijk wat er aan de hand is en kan met een behandeling gestart worden.

Behandeling

Behandeling is niet altijd direct nodig in het geval van een NFA. Is het gezwel echter groot en veroorzaakt het veel klachten, dan kan het operatief worden verwijderd. Een van de mogelijkheden is verwijdering via de neusholte. Deze manier is afhankelijk van de grootte en de plek van het adenoom. Een aanvullende behandeling met bestraling is ook mogelijk. Het gevolg van verwijdering van het adenoom kan zijn dat de hypofyse zelf onvoldoende hormonen aanmaakt. Dit tekort aan hormonen wordt met medicatie opgevangen. Je komt hiervoor onder behandeling van de internist-endocrinoloog.

Het doel is om de druk op het omliggende weefsels weg te nemen. Hierdoor wordt verdere schade aan de hypofysefuncties voorkomen. Klachten als hoofdpijn en problemen met het zien kunnen hierdoor sterk verbeteren of helemaal overgaan.

Is het gezwel klein en heb je geen klachten, dan is directe behandeling niet nodig. Wel is belangrijk om alert te zijn op mogelijke klachten en de grootte van het gezwelBlijf hiervoor in contact met jouw arts!

Een hypofyseaandoening wordt door ieder mens anders ervaren. De een heeft er relatief weinig last van, de ander heel veel. Het leven met een niet-functionerend hypofyseadenoom wordt voor een groot deel bepaald door de grootte en de ligging van het gezwel. Is het gezwel kleiner dan een centimeter en vallen de klachten mee? Dan is een behandeling niet direct nodig. Is het gezwel groter dan een centimeter en heb je last van hoofdpijn en een verminderd gezichtsvermogen, dan is de kans op een operatie heel groot. 

Na de operatie

Een aantal mensen voelt zich na behandeling redelijk klachtenvrij. Helaas houden veel mensen klachten. Is het gezwel verwijderd en is bestraling niet nodig? Dan zul je merken dat klachten als hoofdpijn en (gedeeltelijk) gezichtsvelduitval verdwijnen. Helaas kan het ook gebeuren dat de hormoonfuncties van de hypofyse beschadigd zijn, waardoor je klachten blijft houden.  

 Veel mensen met een beschadiging aan de hormoonfuncties moeten de rest van hun leven medicijnen blijven gebruiken. Je blijft hierdoor langdurig onder controle van een internist-endocrinoloog. Dit vanwege de medicijnen/hormonen, maar ook omdat een niet-functionerend hypofyseadenoom (ongemerkt) terug kan komen. 

Prognose

Bij succesvolle behandeling is de prognose in principe goed. Het hypofyseadenoom heeft geen negatieve uitwerking op de levensverwachting. Het is wel een aandoening die van grote invloed op je leven kan zijn, zowel lichamelijk als geestelijk. Chronische vermoeidheid is een veel voorkomende klacht, evenals sombere gevoelens en onzekerheid. 

Wat anderen zeggen

Veel mensen met een niet-functionerend hypofyseadenoom zeggen dat met deze aandoening best valt te leven. Het kost wel veel tijd en geduld voordat lichaam en geest weer in balans zijn. Neem deze tijd!

Een niet-functionerend hypofyseadenoom heeft niet alleen een grote invloed op het leven van de zieke persoon, maar ook op het leven van de partner, de kinderen en overige naasten. Met name de hormonale disbalans die de aandoening met zich meebrengt speelt een rol. Zowel gedrag als emoties worden beïnvloed door hormonen, denk aan agitatie, irritatie, extreme vermoeidheid, humeurigheid en apathie. Mensen worden ‘extremer’ in hun gedrag. Ze kunnen bijvoorbeeld ineens in woede uitbarsten, heel verdrietig worden of humeurig. Iemand met een hormonaal probleem is niet altijd makkelijk om mee samen te leven.  

Op de pagina voor naasten lees je meer informatie over het samenleven met iemand met een hypofyseaandoening.

Binnen het team van lotgenotencontactpersonen, is er ook een vrijwilliger die een luisterend oor wil zijn voor familie en naasten van hypofysepatiënten. Heb je dus vragen of wil je gewoonweg je verhaal delen, neem dan contact met ons op via lotgenotencontact@hypofyse.nl 

(Bron en meer informatie: Nederlandse Hypofyse Stichting)




Immuun Trombocytopenie (ITP)

Immuun trombocytopenie (ITP) is een ziekte waarbij je te weinig bloedplaatjes hebt. Dit noemen we ook wel trombocytopenie of trombopenie. Bloedplaatjes (trombocyten) zijn belangrijk om de bloedstolling goed te laten werken. ITP ontstaat doordat je lichaam antistoffen aanmaakt tegen je eigen bloedplaatjes, het is dus een auto-immuunziekte. De antistoffen en bloedplaatjes vormen een complex, die worden afgebroken door de lever en/of de milt. Bloedplaatjes die in zo’n complex met antistoffen zitten, worden sneller afgebroken dan normaal. Omdat niet snel genoeg nieuwe bloedplaatjes aangemaakt worden door het beenmerg, ontstaat er een tekort aan bloedplaatjes. 

De ziekte komt bij zowel mannen als vrouwen voor en kan op alle leeftijden ontstaan, zowel op de kinderleeftijd als op oudere leeftijd. ITP komt ook soms voor als gevolg van een andere ziekte of door medicatie. Dit noemen we secundaire ITP. De behandeling van secundaire ITP kan anders zijn, omdat deze vaak gericht is op het onderliggende probleem.

Persisterende en chronische ITP

ITP gaat bij ongeveer 10% van de mensen binnen 3 tot 6 maanden over. Als ITP langer dan 3 maanden aanhoudt bij iemand, noemen we dat persisterende ITP. Als het langer bestaat dan een jaar, spreken we van chronische ITP.

Op de kinderleeftijd gaat ITP vaker vanzelf over. Echter, ook kinderen kunnen chronische ITP hebben.

Symptomen

De belangrijkste klachten van weinig bloedplaatjes zijn bloedingen. Bij ITP komen vooral bloedingen voor in de huid (blauwe plekken of puntbloedinkjes, langer nabloeden bij wondjes) en in de slijmvliezen (neusbloedingen, tandvleesbloedingen en hevige menstruaties). Vanwege de verhoogde bloedingsneiging is extra voorzichtigheid nodig rondom tandheelkundige ingrepen en operaties. Er is een iets verhoogde kans op het ontstaan van ernstige bloedingen, zoals maag-darm bloedingen, longbloedingen of hersenbloedingen; ernstige bloedingen komen  gelukkig zelden voor bij ITP.

Daarnaast is vermoeidheid een veelgehoorde klacht bij ITP patiënten. Het is niet duidelijk waarom vermoeidheid vaker voorkomt. Mogelijk hangt het samen met de bloedingsklachten, het bloedplaatjesaantal, het immuunsysteem of sociale en/of psychologische aspecten van het hebben van een ziekte.

ITP en zwangerschap 

De kans om zwanger te worden is niet anders wanneer je ITP hebt. Wel kan het gevolgen hebben voor de behandeling van de ITP. Niet alle behandelingen die voor ITP worden gegeven, zijn veilig tijdens de zwangerschap. Daarom is het bij een wens om zwanger te worden, het beste om van tevoren met uw hematoloog te overleggen. Mogelijk heeft het de voorkeur om u eerst op een ander medicijn over te zetten.

De bloedplaatjes worden tijdens de zwangerschap soms lager, waardoor extra controle en soms behandeling nodig is. Soms ontstaat ITP voor het eerst tijdens de zwangerschap. Bij deze vrouwen is de kans groot dat de bloedplaatjes zich weer herstellen na de bevalling.

Er is een kans dat de bloedplaatjes van de baby na de bevalling tijdelijk verlaagd zijn doordat de autoantistoffen van de moeder door de placenta naar het kind gaan. Daarom wordt een kunstverlossing met tang of vacuümpomp zo mogelijk vermeden. Dit betekent niet dat het kindje de ziekte ook heeft. De bloedplaatjes herstellen zich weer na verloop van tijd. Soms is tijdelijke behandeling met een immunoglobuline infuus nodig.

Erfelijkheid

ITP is een auto-immuunziekte en is dus niet erfelijk. Hierdoor is er geen risico dat u ITP doorgeeft aan uw kind.

Onderzoeken

Aantal bloedplaatjes bepalen

Om het aantal bloedplaatjes te bepalen, wordt een buisje bloed voor onderzoek naar het laboratorium gestuurd. Bij gezonde mensen zijn de bloedplaatjes tussen de 150 en de 450 (*10per liter bloed). Bij ITP zijn de bloedplaatjes vaak minder dan 100, maar ze kunnen ook veel lager zijn, zelfs minder dan 10. Opvallend is dat ITP patiënten vaak minder bloedingsklachten hebben dan je zou verwachten met zulke lage bloedplaatjes. Dat komt omdat de bloedplaatjes die er wel zijn, harder werken dan bij mensen zonder ITP.

Miltscan

Bloedplaatjes worden afgebroken in de lever en/of de milt. Om deze afbraak te remmen, is één van de mogelijke behandelingen om de milt operatief te verwijderen (splenectomie). Dit heeft bij ongeveer 2 op de 3 mensen succes, maar dus niet bij iedereen. Het is moeilijk te voorspellen bij wie de ingreep succesvol zal zijn. Het maken van een miltscan (autologous 111In‐labelled platelet scan) kan daarbij helpen. Op de scan wordt bekeken waar de bloedplaatjes worden afgebroken; vooral in de lever, vooral in de milt of gemengd in de lever en milt. Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat als de bloedplaatjes vooral in de milt worden afgebroken, de kans op succes van een miltverwijdering groter is.

Beenmergonderzoek

Beenmergonderzoek is over het algemeen niet nodig om de diagnose ITP te stellen. Soms wordt er echter om bepaalde redenen toch getwijfeld aan de diagnose. In dat geval kan het wel nodig zijn om een beenmergonderzoek te doen.

Behandeling en zorg

Bij een deel van de patiënten gaat ITP vanzelf over. Er wordt -vooral bij kinderen- daarom soms gekozen om niet te behandelen, maar eerst alleen af te wachten. Als de bloedplaatjes heel erg laag zijn, zeker als daarbij veel bloedingsproblemen zijn, wordt er soms wel gekozen om meteen te behandelen.

De behandeling van ITP is lastig, om dat er helaas geen behandeling is die altijd werkt en omdat de verschillende medicijnen meer of minder bijwerkingen kunnen geven. De keuze voor behandeling wordt daarom altijd in overleg met de patiënt gemaakt. Hieronder worden een aantal veelgebruikte behandelingen uitgelegd.

Prednison en IVIG

De eerste keuze is prednison of dexamethason. Het duurt meestal ongeveer een week voordat er effect gezien wordt. IVIg (intraveneuze immuunglobuline) wordt vooral gegeven in spoedsituaties, omdat het wel snel maar slechts kortdurend werkt (zo’n week of drie).

TPO-RA

TPO-RA (trombopoietine-receptor agonisten) behandelt niet de oorzaak van de ITP, maar zorgt wel dat de aanmaak van bloedplaatjes gestimuleerd wordt. Daardoor gaat het aantal bloedplaatjes omhoog. Er zijn momenteel drie soorten TPO-RA: eltrombopag, avatrombopag en romiplostim. In de nieuwsbrief van de ITP patiëntenvereniging (december 2020) schrijft Yordi over zijn ervaring met eltrombopag.

Rituximab

Rituximab remt de werking van het immuunsysteem in het algemeen. Bij ITP wordt het gegeven om te zorgen dat er geen antistoffen tegen je bloedplaatjes meer worden aangemaakt. Het middels wordt ook bij andere auto-immuunziekten gebruikt, zoals reumatische ontstekingen. Rituximab wordt in totaal 4x wekelijks toegediend via een infuus. Het duurt enkele weken voordat het maximale effect wordt bereikt, omdat de reeds aanwezige antistoffen niet weggenomen worden.

Splenectomie

Een operatie om de milt te verwijderen (splenectomie) is bij een deel van de mensen zeer effectief. Dit kan over het algemeen via een kijkoperatie (laparoscopisch), waardoor er alleen enkele kleine sneetjes in de buik nodig zijn. De mogelijkheid bestaat om vóór de operatie een miltscan te maken (zie hierboven). Dit kan helpen voorspellen of de operatie succesvol zal zijn, maar is geen garantie op een succesvolle behandeling.

Complicaties

Mensen met ITP hebben een iets verhoogde kans op het ontstaan van ernstige bloedingen, zoals maag-darm bloedingen, longbloedingen of hersenbloedingen. Deze komen gelukkig zelden voor bij ITP. Daarnaast hebben ITP patiënten een wat verhoogde kans op het krijgen van een bloedpropje in de aderen (trombose).

Veel van de behandelingen van ITP veroorzaken een verhoogde kans op infecties, met name als de milt verwijderd is. Daarnaast zijn er behandelingen die de kans op trombose kunnen verhogen. Uw arts zal u voorlichten over de risico’s van de verschillende behandelingen.

(Bron en meer informatie: UMC Utrecht)




Overprikkeling

Een prikkel is een stukje informatie dat binnenkomt via onze zintuigen. Zo kunnen we prikkels bijvoorbeeld zien, horen, voelen, ruiken, en proeven. Overprikkeling betekent dat die stukjes informatie niet goed door de hersenen worden verwerkt.

Mensen met een hersenaandoening verwerken prikkels dus op een andere manier. Zo kunnen ze eerder en vaker overprikkeld raken dan andere mensen. De berg aan onverwerkte prikkels wordt dan niet helemaal goed verwerkt.

Normaal gesproken zorgen de hersenen er op verschillende manieren voor dat alle prikkels goed verwerkt worden. Als dit mis gaat kun je veel meer prikkels ervaren dan normaal of kost het meer moeite om prikkels te verwerken. Gevolg is dat veel prikkels om je aandacht vragen. Het geeft  een druk en vermoeiend gevoel, maar kan ook leiden tot een zeer ernstige handicap.

Overprikkeling is nog geen officiële diagnose. Het is wel een veelvoorkomende klacht na hersenletsel. Veel mensen geven aan hier last van te hebben. Er is echter nog geen goede test om overprikkeling te meten en om te bepalen waarom en wanneer er overprikkeling ontstaat bij iemand. Er wordt nu steeds meer onderzoek naar gedaan om oorzaken te achterhalen en goede tests te ontwikkelen zodat een eventuele behandeling precies op maat is.

Overprikkeling gaat vaak gepaard met met hoofdpijn, vermoeidheid, stress, verminderde concentratie, slaapproblemen, onrust, en het overlopen van emoties.

Bij sommige mensen leidt dit tot tijdelijke uitvalsverschijnselen, koorts, overgeven of een epileptische aanval. Overprikkeling kan uiteindelijk ook  leiden tot invaliditeit en een volledig geïsoleerd bestaan zonder hoop of zicht op verbetering.

Van de buitenkant is het moeilijk te zien of iemand last heeft van overprikkeling. Niet iedereen begrijpt dat een situatie die ‘normaal’ is voor de één, ‘onleefbaar’ kan zijn voor iemand met overprikkeling. Voor de een maakt het in de supermarkt niet veel uit hoe druk het is. Voor de ander is de topdrukte tussen 5 en 6 uur avonds onmogelijk.

Overprikkeling geldt voor alle zintuigen: zien, horen, voelen, ruiken, proeven, en/of evenwicht houden. Soms krijg je teveel prikkels binnen. Soms word je gevoeliger voor prikkels: geluid of licht waar je eerst geen probleem mee had, komt nu veel heftiger binnen.

Ook kan overprikkeling specifiek zijn voor een bepaald zintuig. Zo kun je bijvoorbeeld heel snel last hebben van harde geluiden, maar heb je geen moeite met aanrakingen van de huid.

Overprikkeling kan bijvoorbeeld ontstaan wanneer:

  • je zintuigen teveel prikkels doorgeven,
  • prikkels die wel doorgegeven worden te hard doorkomen of
  • je geen filter meer hebt om hoofd- en bijzaken uit elkaar te houden.

Impact van overprikkeling

Als je last hebt van overprikkeling, raakt je leven op verschillende gebieden beïnvloed. De onzichtbare gevolgen van problemen met je denken en waarnemen leiden vaak tot onbegrip in je omgeving. Iemand lijkt aan de buitenkant nog steeds hetzelfde, maar dagelijkse activiteiten als werken, studeren, een gezin runnen, of zelfs koken en boodschappen doen, lukken ineens niet meer. Het kan je helpen als je deze gevolgen bespreekbaar maakt, bijvoorbeeld samen met een therapeut.

Een veelgehoorde verklaring is dat je aandachtsfilter niet goed meer werkt. Normaal gesproken let je alleen op die brokjes informatie die belangrijk zijn voor waar je op dat moment mee bezig bent. Maar als je aandacht niet meer goed filtert, kun je hoofdzaken niet meer van bijzaken scheiden.

Daardoor krijg je bijvoorbeeld teveel prikkels binnen, maar vooral komen alle prikkels op hetzelfde niveau binnen. Je moet je aandacht verdelen over belangrijke dingen (een gesprek met iemand) en onbelangrijke dingen (achtergrond muziek). Dat gaat ten koste van je functioneren.

Een andere mogelijke oorzaak van overprikkeling kan te maken hebben met hoe de hersenen informatie van meerdere zintuigen samenvoegen. Normaal gesproken kunnen je hersenen bijvoorbeeld de mondbewegingen en de stem van iemand die je ziet praten bij elkaar voegen. Die informatie hoort namelijk bij elkaar. Als dit samenvoegen van informatie die bij elkaar hoort mis gaat, zou dit kunnen leiden tot overprikkeling. Je ervaart dan bijvoorbeeld twee prikkels in plaats van een.

Er zijn nog meer mogelijke oorzaken van overprikkeling. De precieze oorzaak van overprikkeling is onbekend. Meer onderzoek moet duidelijkheid brengen over de oorzaken van overprikkeling.

Meest voorkomende aandoeningen met als gevolg overprikkeling

Hersenaandoeningen die kunnen leiden tot overprikkeling zijn een beroerte, de ziekte van Parkinson, angststoornissen, en hersenbeschadigingen door een ongeval. Mensen met een autismespectrumstoornis, ADD, of ADHD hebben ook vaak last van overprikkeling.

Tips voor patiënten met overprikkeling

Een belangrijke eerste stap is het herkennen en erkennen van je klachten. Dit kan je al een stuk rust geven. Het is belangrijk om te leren accepteren dat je veranderd bent. En van daaruit kun gaan kijken hoe je weer vooruit kunt gaan. Vaak zijn er nieuwe manieren om beter met je klachten en beperkingen om te gaan.

  •  Probeer je nieuwe situatie te accepteren en probeer er ondanks alles iets van te maken.
  •  Ga naar je huisarts om je problemen te bespreken en vraag om een dubbele afspraak, zodat je meer tijd hebt.
  •  Vermijd stress en leer omgaan met je gevoel voor tijdsdruk. Plan voldoende ruimte in voor je activiteiten.
  •  Ontmoet mensen in een rustige plaats, bijvoorbeeld bij je thuis of in een bibliotheek.

  •  Als je weet wat je eigen beperkingen zijn, kan het je helpen om ermee om te gaan. Je kunt dan ook duidelijker uitleggen aan een ander wat jou helpt.
  •  Maak bespreekbaar in je eigen omgeving hoe je je voelt. Het is voor mensen bijna niet voor te stellen wat het is om last te hebben van overprikkeling.
  •  Zoek steun bij lotgenoten.
  •  Zorg dat je de dingen die voor jou belangrijk zijn (goede vrienden of familie zien, persoonlijke hygiëne of sport onderhouden) toch blijft doen, maar creëer genoeg rust ervoor en erna.

Je verhaal opschrijven helpt

Als je problemen hebt met je denken kun je je ervaringen ook opschrijven of laten opschrijven. Dat werkt vaak goed. Er verandert veel in je leven en dat moet je dan allemaal ook nog verwerken.

Denk aan verlies wat je verdrietig maakt, of veranderingen in je dagelijkse activiteiten zoals je werk of het niet langer meer kunnen uitoefenen van je hobby’s. Veranderingen in relaties of te maken krijgen met een ander toekomstperspectief. Het helpt om dit op papier te zetten. Zo kun je anderen in je omgeving inzicht geven in jouw situatie van overprikkeling. Het kan je helpen om samen meer grip te krijgen op de nieuwe situatie.

Behandelen van overprikkeling

Er zijn nog nauwelijks vastgestelde behandelingen voor overprikkeling. Revalidatie kan zich wel bijvoorbeeld richten op:

  • het trainen van je aandacht
  • opnieuw leren regelen en plannen van je balans door hulpmiddelen en rust (compensatiestrategie)
  • het leren accepteren van je situatie.


(Bron en meer informatie: Hersenstichting)