Epilepsie

image_pdfimage_print

Epilepsie is een stoornis in de hersenen, waarbij zich tijdelijk, plotseling en ongecontroleerd grote groepen hersencellen ontladen. Er ontstaat als het ware ‘kortsluiting’ in de hersenen. Meestal is dit zichtbaar, doordat iemand een aanval krijgt. Pas als iemand bij herhaling dergelijke aanvallen heeft, die niet worden veroorzaakt door een acuut probleem, is er sprake van epilepsie.

De meest bekende, maar zeker niet de vaakst voorkomende, is de zogenaamde ‘grote aanval’ waarbij iemand het bewustzijn verliest, en met trekkingen op de grond ligt. Maar dit is niet het enige type aanval dat kan optreden. Epilepsie kent veel verschillende verschijningsvormen. Daardoor wordt epilepsie niet altijd gemakkelijk herkend.

Mensen met epilepsie hebben meestal een normale intelligentie. Wel komt epilepsie in verhouding vaker voor bij mensen met een verstandelijke beperking.

Naar schatting hebben ongeveer 180.000 mensen in ons land epilepsie, waarvan ongeveer 23.000 kinderen. Er worden per jaar ongeveer 14.000 nieuwe diagnoses gesteld, waarvan ruim 2000 bij kinderen.

Epilepsie kan op iedere leeftijd voorkomen, maar in driekwart van de gevallen begint het voor of rond het twintigste levensjaar. Dan volgt een periode tussen het twintigste en het zestigste jaar waarin relatief weinig nieuwe gevallen zich voordoen. Na het zestigste jaar neemt het aantal mensen met epilepsie weer toe. Bij ouderen kan epilepsie ontstaan als reactie op hersenbeschadiging door bijvoorbeeld een beroerte.

Epilepsie is een signaal dat er iets verstoord is in de werking van de hersenen. Soms wordt de epilepsie veroorzaakt door een aandoening waarvoor een behandeling mogelijk en/of noodzakelijk is (denk aan een tumor). Ook voor de behandeling van de aanvallen zelf is het belangrijk te weten wat de oorzaak is van de aanvallen. De arts zal daarom willen nagaan wat de oorzaak van de epilepsie is. Vaak is daarvoor verder onderzoek nodig.

In meer dan de helft van alle gevallen kan de arts geen oorzaak vinden voor de epilepsie. Dan is de oorzaak met de huidige onderzoeksmethoden (nog) niet aan te tonen. Aan de ene kant is dat geruststellend, omdat je dan bijna zeker weet dat er geen ernstige oorzaak is. Maar aan de andere kant kan dit moeilijk zijn omdat je graag een verklaring wilt hebben voor de aanvallen.

Mogelijke oorzaken:
– ontsteking van de hersenen of het hersenvlies;
– een gezwel;
– problemen bij de geboorte;
– een ongeval met hersenletsel;
– een hersenbloeding/-infarct;
– stofwisselingsziekte;
– afwijkingen aan de bloedvaten;
– erfelijke aanleg

Littekenweefsel in de hersenen is vaak verantwoordelijk voor epileptische aanvallen. De littekens zijn ontstaan door een (vroegere) aandoening: een infectie, een abces, zuurstoftekort of een operatie. In de rand van het litteken worden vaak abnormaal functionerende hersencellen aangetroffen.

Soms is alleen een verhoogde (erfelijke) aanleg de oorzaak. De drempel om een aanval te krijgen is dan laag. Als daarbij één of meerdere andere oorzaken optreden, is de kans op epilepsie groter dan bij iemand zonder erfelijke aanleg.

Inentingen
Sommige kinderen krijgen hun eerste aanval binnen 72 uur na een DKTP-vaccinatie. Belangrijk is te weten dat de vaccinatie niet de oorzaak is van de epilepsie. Bij kinderen die – op tijd – hun vaccinaties hebben gekregen, verloopt de ziekte niet ernstiger dan bij kinderen die niet (meer) of later gevaccineerd zijn. Dit blijkt uit Australisch onderzoek.

Epilepsie kan worden ingedeeld in vier soorten:
1. Partiële epilepsie
2. Gegeneraliseerde epilepsie
3. Epilepsie, waarvan niet vaststaat of zij plaatsgebonden of gegeneraliseerd is
4. Speciale syndromen

Belang indeling
De indeling is vooral van belang voor het bepalen van de juiste behandeling en kan soms iets zeggen over de toekomstverwachting en (eventueel) de erfelijkheid. Ook uit onderzoeksoogpunt is eenzelfde indeling van belang. Alleen als iedereen verschijnselen op dezelfde manier benoemt – en dus dezelfde indeling gebruikt – kunnen onderzoekers resultaten van onderzoek met elkaar vergelijken.

1. Partiële epilepsie
Bij partiële epilepsie ontstaan, door plaatselijke elektrische ontladingen (een focus of haard genoemd), verschijnselen die overeenkomen met de functie van het betreffende hersendeel. De symptomen die optreden zijn dus afhankelijk van het hersendeel. De aanval (elektrische ontladingen) kan zich uitbreiden en dan door de betrokkenheid van een ander hersendeel andere symptomen veroorzaken. Dit noemen we secundair gegeneraliseerde epilepsie.

2. Gegeneraliseerde epilepsie
Gegeneraliseerde epilepsie is een vorm van epilepsie waarbij beide hersenhelften gelijktijdig betrokken zijn bij de ontlading. Wanneer de gegeneraliseerde epilepsie gepaard gaat met bewegingsstoornissen (en zich dus niet beperkt tot een absence), dan treden deze aan beide lichaamshelften op. Vaak is er verlies van bewustzijn.

3. Epilepsie, waarvan niet vaststaat of zij plaatsgebonden of gegeneraliseerd is
Bij de vormen van epilepsie die niet goed in te delen zijn, komen kenmerken voor van plaatsgebonden (partiële) en van niet-plaatsgebonden (gegeneraliseerde) epilepsie. Om die reden wordt de indeling in het midden gelaten.

4. Syndromen
Er is sprake van een syndroom als epileptische aanvallen samengaan met een aantal verschijnselen en klachten. Bij het vaststellen van een bepaald epilepsiesyndroom wordt gekeken naar kenmerken, zoals de beginleeftijd, het type aanvallen en EEG-kenmerken. Het vaststellen van een bepaald epilepsiesyndroom geeft informatie, bijvoorbeeld over de behandelbaarheid, de toekomstverwachting en (eventueel) de erfelijkheid. Er zijn epilepsiesyndromen met een goed te behandelen epilepsie maar ook met een epilepsie die niet goed instelbaar is.

Tekst gaat verder onder de advertentie



Bij een epilepsiesyndroom gaan epileptische aanvallen samen met andere verschijnselen. Door de kenmerken van de epilepsie bij een patiënt in kaart te brengen, probeert de arts bij iedere patiënt te komen tot de diagnose van een bepaald syndroom. Dat vergemakkelijkt de keuze van de geschikte behandeling en maakt het ook beter te voorspellen hoe de aandoening zal evolueren.

Voor lang niet alle mensen met epilepsie kan even gemakkelijk worden vastgesteld welk syndroom ze hebben. Sommigen hebben een paar kenmerken van het ene syndroom en een paar van een ander. Er kunnen jaren overheen gaan om tot de juiste diagnose te komen. Bovendien zijn er ook syndromen die later overgaan in andere syndromen of epilepsievormen.

Kenmerken epilepsiesyndromen:
– het soort aanval: partiëel (focaal) of gegeneraliseerd;
– het EEG-beeld;
– de leeftijd waarop het syndroom ontstond;
– de oorzaak: bijvoorbeeld erfelijk, hersentrauma;
– andere aandoeningen die in verband staan met de epilepsie: bijvoorbeeld psychische stoornissen, leerstoornissen;
– de prognose: hoe evolueert dat type epilepsie?;
– de behandeling: wat is de efficiëntste behandeling bij dat type epilepsie?

De meest voorkomende (kinder)epilepsiesyndromen
– Rolandische epilepsie
– Absence epilepsie
– Juveniele myoclonische epilepsie
– West syndroom
– Lennox Gastaut syndroom
– Dravet syndroom
– Doose syndroom
– CSWS of ESES
– Landau Kleffner syndroom
– Othahara syndroom
– Aïcardi syndroom

Aan de hand van de gegevens die de arts heeft verkregen uit de onderzoeken, wordt een behandelplan opgesteld.

De kern van de behandeling bestaat uit het bestrijden en voorkómen van aanvallen, meestal in de vorm van het innemen van medicijnen, de zogenaamde anti-epileptica.

Medicijnen
Het hangt van verschillende factoren af of direct met medicijnen gestart wordt, nl.:

er moet zekerheid bestaan over de diagnose epilepsie
er moet zekerheid zijn over de aard van de epilepsie
er wordt rekening gehouden met de ernst van risico’s die verbonden zijn aan de aanvallen:
– frequentie
– type en duur van de aanvallen
– aanvallen overdag of ’s nachts
– automatismen die gepaard gaan met aanvallen
– hoe belastend de epilepsie is voor de persoon en het gezin

Uiteraard kan je hierin meedenken. Het gaat tenslotte om jou lichaam en de kans is groot dat je gedurende lange tijd (misschien zelfs wel de rest van je leven) deze middelen gaat gebruiken.

Gemiddeld genomen kan 70% van de mensen met epilepsie met medicijnen aanvalsvrij door het leven gaan, zodra deze goed is ingesteld.

Niet behandelen?
Soms besluit de arts in overleg met jou om de aanvallen juist niet met medicatie te behandelen. Bijvoorbeeld als de aanvallen zo weinig voorkomen of zo licht zijn, dat de (mogelijke) bijwerkingen van de medicatie erger zijn dan de epilepsie zelf.

Als medicijnen niet helpen
In ongeveer 30 procent van de gevallen blijkt de epilepsie moeilijk instelbaar te zijn met medicijnen. Officieel spreekt men van moeilijk instelbare epilepsie, als iemand twee soorten anti-epileptica (medicijnen) in voldoende hoge dosering en gedurende voldoende lange tijd heeft geprobeerd en de aanvallen nog niet volledig onder controle zijn.

Je kan met je arts dan andere mogelijkheden overwegen die wellicht een beter resultaat geven.

Het is van groot belang dat een in epilepsie gespecialiseerd (kinder)neuroloog vaststelt dat jij niet goed instelbaar bent of jouw kind niet goed instelbaar is.

Epilepsiechirurgie
Bij epilepsiechirurgie wordt een operatie aan de hersenen uitgevoerd, waarbij de haard (bron) van de epilepsie verwijderd of geïsoleerd wordt. Een voorwaarde daarvoor is dat de epilepsie uitgaat van een klein gebied in de hersenen, dat zonder ernstige gevolgen geopereerd kan worden.

Een dieet
Bij deze behandeling wordt een zeer vetrijk en koolhydraat beperkt dieet voorgeschreven.
Bij kinderen wordt het ketogeen dieet toegepast, bij jongeren en volwassenen kunnen Modified Atkins Dieetbehandeling (MAD) volgen.
Deze diëten worden onder zorgvuldige medische begeleiding toegepast. Het is niet goed te voorspellen wie er baat zal hebben bij een behandeling met het dieet, en wie niet.

Nervus Vagus Stimulator (NVS)
Bij NVS krijgt de linker hersenzenuw (nervus vagus), die loopt via de hals, kleine stroomstootjes via een soort pacemaker. Ook hier geldt dat niet goed te voorspellen is wie baat zal hebben bij deze behandeling.

Deep Brain Stimulation (DBS)
Bij DBS wordt gebruik gemaakt van een neurostimulator, een soort pacemaker, die in het lichaam wordt ingebracht. Vervolgens wordt deze, onderhuids met geleidingsdraadjes, verbonden met de hersenen.

(Bron: Epilepsievereniging Nederland, www.epilepsievereniging.nl

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *